De kip met de gouden eieren

8 december 2009 at 10:13

8 dec 2009

Over de film ‘Komt een Vrouw bij de Dokter”

In deze wereld is alles te koop, ook talent. Met voldoende geld kun je beschikken over de beste scenarioschrijver, een top cinematograaf en een regisseur, die prijzen wint. 
Toch jammer dat als je zelf ieder talent om diepgang te suggereren ontbeert, het even snel trekken van je gold card niet kan verhelpen, dat je door de mand valt. Kunstzinnig talent, dat heb je of dat heb je niet, heer Oerlemans. En als je het hebt, heb je dat in de loop van je leven, vaak ten koste van veel bloed, zweet en tranen, verder ontwikkeld. Daarmee creëer je, als heel veel factoren meezitten, ooit kunstwerken. 
Een rammelend scenario met een ongeloofwaardig verhaal, clichématig en weinig verrassend verfilmd. Overbodige voice-over teksten en zo mogelijk nog overbodiger en zelfs hinderlijke titels. Een rare mix van muziekstijlen, van klassiek tot house, die weinig aan de beoogde dramatiek van de film toevoegen. Acteurs, die niet weten te overtuigen. Zie daar in kort bestek de opbrengst van het regiedebuut van ex-soapster Oerlemans.

Succesvolle reclamejongen en feestnummer Stijn is in de film een antiheld, die een plotse ommekeer meemaakt, als zijn door kanker verterende echtgenote en grote liefde Carmen haar laatste dagen leeft. Een antiheld in een film, die tot inkeer komt en held wordt. Zo’n karakter overtuigend geloofwaardig maken vergt veel, heel veel van scenarioschrijver en regisseur. En dan ook nog één met zo weinig diepgang en een innerlijke strijd waarin de kijker nauwelijks kan meegaan. Menig ervaren rot zou daar terecht zijn handen niet aan branden. Carmen, de vrouw van Stijn, is net overleden en ja hoor onze held grijpt nog voordat ze is afgekoeld naar zijn mobieltje om Roos, de vrouw, voor wie hij zijn in doodsangst verkerende lieveling Carmen keer op keer in de steek liet, te vragen op haar begrafenis aanwezig te zijn. Dat kan dan misschien honderd keer echt gebeurd zijn, geen normaal mens wil of kan zich daar toch mee identificeren. Al is dat misschien nog zo modern. Leuk voor het dochtertje dat wel, meteen al een nieuwe mama. Tja, het is een snelle wereld, die wereld van de reclamejongens.

Anna Drijver in de rol van Roos is een miscast. Zij is veel te sympathiek voor zo’n bitchy del en ze wekt als persoon minimaal de indruk geen oppervlakkig kantoorsnolletje te zijn. 
Ieder jaar weer, tijdens carnaval, probeert Stijn haar te versieren. Ieder jaar weer wijst ze hem af. Hij is immers getrouwd en ze wil uit principe niets met getrouwde mannen. Maar plots, nu Carmen doodziek is, zijn alle twijfels ineens verdwenen. Logisch toch. En hup, daar gaan ze los op de golven van een passievolle liefde. Hij, de snelle reclameboy. Zij, het sensitieve kunstenaarsmeisje. Veel last van vrouwelijke solidariteit heeft Roos kennelijk niet en ook heeft ze blijkbaar totaal geen moeite met Stijns ‘verraad’. Ze is dus geen haar beter dan hij en ja in die zin verdienen ze elkaar. Maar of dat geloofwaardig is?

En dan die merkwaardige doodstrijd van Carmen. Nergens kan van Houten in haar rol van steeds zwakker wordende kankerpatiënt overtuigen. Zo trippelt ze als een dartele schooljuf, die met gemak een schoolklas van 30 obstinate pubers onder controle houdt, over de steiger op het tropische vakantieadres, waar zij en Stijn een nieuw begin van hun huwelijk zouden maken. Verderop in de film zijn we er getuige van dat de ernstig verzwakte Carmen, die op dat moment nog een paar dagen te leven heeft, nog bij krachten is om de Telescopic van L’Oréal uit haar handtasje te vissen, blijkens het in close up duidelijk zichtbare resultaat van haar pogingen de na de chemo op wonderbaarlijke wijze na in tact gebleven oogwimpers tot reclamelengte op te poetsen. Ook haar poppenkopje blijft gaaf en onaangetast in haar doodstrijd, nog steeds glad en glanzend als porselein of ze zo met Stijn een avondje kan gaan stappen. En dan gebeurt het: Carmen, op sterven na dood, deelt Stijn, de vreemdganger, de verrader aan hun liefde, mee, dat ze zo ‘gelukkig’ is, dat hij haar man is.
Op dat moment klinkt er ergens uit de zaal een bulderende schaterlach. Beter kon mijn gevoel op dat moment niet tot uitdrukking worden gebracht. Toch nog een onverwacht hoogtepunt bij deze verloren middag in de bioscoop, alleen helaas niet op het witte doek. En zo verdwijnt het laatste restje geloofwaardigheid van dit drama, samen met de vele kots, in het yuppentoilet.

De enige scene, waarin iets van de diepte en de ingrijpendheid van de problematiek van kanker en doodgaan overtuigend naar voren komt, is de scene in de tunnel. Daarvoor verdienen van Houten, grotesk in smoking, en Atsma, lachwekkend in jurk, en natuurlijk ook regisseur Oerlemans een groot compliment. De travestie verhoogt de dramatiek in de symbolische tunnel op weg naar het einde. 

Maar één geslaagde scene als totale oogst van hele film is toch wat al te magertjes.
Hier geldt de conclusie: wie een ei wil leggen, waaruit een arend kruipt, moet zelf een arend zijn. Uit een kippenei zal altijd een kippenkuiken kruipen. Dit is een biologisch gegeven, dat ook opgaat voor een kip met heel veel geld.